Het is wetenschappelijk bewezen: kinderen zijn niet kleurenblind. Maar hoe zorg je er dan voor dat je witte kind geen racist wordt, vraagt Angela Wals zich af.

In de Volkskrant

Illustratie: Wendy van der Waal

Het blonde haar van mijn dochter is ongeveer dezelfde kleur als haar doorschijnende huid. Veel witter kom je ze niet tegen. Mijn logica was tot voor kort: ik ben geen racist, dus dan is mijn dochter dat straks ook niet. En daarmee was dit opvoedkundige vraagstuk getackeld. Door naar het punt dat me wél bezighield: hoe bereid ik haar voor op een genderongelijke wereld?
Deze wat passieve instelling – dat mijn kind prima uitpakt zolang ik zelf niets racistisch zeg of doe – reflecteert mijn opvoeding. In een middenstands VVD-gezin heb ik geleerd respect te hebben voor iedereen. En iemand pas een klootzak te noemen als hij zich als een klootzak gedraagt. Als je hard werkt en je best doet, komt iedereen er. Kleurverschillen bestonden niet. Letterlijk niet, in een dorp met tweeduizend inwoners waarvan de ‘buitenlanders’ op de vingers van een hand te tellen waren. Lang heb ik gedacht dat ik geen etniciteit zag, maar mensen. Dat ik op een gegeven moment thuiskwam met een half-Algerijnse vriend, en een paar jaar later met een Chinese, was daarvan een bewijs.
Intussen staart mijn bijna 3-jarige dochter uitgebreid naar alles wat voor haar afwijkend is. Dus ook naar het ingenieus ingevlochten kroeshaar van de buurvrouw in het vliegtuig: ‘Mooie haartjes.’ Of naar de lezende man met baard en in djellaba in de trein: ‘Grappige meneer.’ Peuterobservaties, maar niet zo kleurenblind als ik dacht dat kinderen zouden zijn. Dit heeft nog niets met racisme te maken, maar waar ligt de grens? Als kinderen apengeluiden naar zwarte kinderen maken, zoals het neefje van een collega overkwam, ben je de kinderlijke onschuld ver voorbij.
Je móét met witte kinderen over ras praten, lees ik steeds vaker. De kleurenblindstrategie, waarmee veel witte millennials zijn opgevoed, is achterhaald. Het uitgangspunt dat ‘kleur er niet toe doet’, omdat we ‘allemaal gelijk zijn’ is goed bedoeld, maar naïef. ‘We zijn allemaal gelijk belemmert witte kinderen racisme te herkennen of serieus te nemen als ze erover zien of horen’, schrijft religieprofessor Jennifer Harvey in The New York Times. ‘Als je in eerste instantie geen kleur ziet, dan zie je natuurlijk al helemaal geen machtsstructuur die is gebouwd op basis van kleur’, schrijft Anousha Nzume in haar boek Hallo witte mensen.
Wetenschappelijk feit: kinderen zijn niet kleurenblind. Baby’s van negen maanden maken al onderscheid tussen mensen met een verschillende etnische achtergrond. Vanaf ongeveer dezelfde leeftijd worden baby’s ook steeds slechter in het zien van onderscheid binnen een etnische groep die ze niet goed kennen. Dit wordt het ‘Other-Race-Effect’ genoemd, het effect dus dat alle Chinezen op elkaar lijken. Met andere woorden: mijn kind scheert nu al de ‘andere groep’ over één kam.
Allemaal normale cognitieve ontwikkelingen, zegt Judi Mesman, hoogleraar ­diversiteit in opvoeding en ontwikkeling aan Universiteit Leiden. ‘De menselijke neiging is om alles wat je veel tegenkomt en goed kent als fijner, beter en vertrouwder te ervaren. Maar wat vind je van de ander? Dát heeft ook met socialisatie te maken, met wat de normen in jouw omgeving zijn.’
Het is precies deze stap waarover ik me nooit zorgen maakte. Maar de manieren waarop kinderen de raciale verhoudingen in de samenleving krijgen aangeleerd, zijn vaak subtieler dan uitspraken als ‘waag het niet met een Marokkaan thuis komen’. Mijn kind signaleert bijvoorbeeld ook hoe ik me opstel in de deuropening als de zwarte postbode mij een pakketje overhandigt, ­hyperbewust dat ik hem ‘gelijk’ wil behandelen. En ze merkt mijn verstarring als ik langs een groep Marokkaanse hangjongeren loop, al gaat dit onwillekeurig. Ook gaat ze straks zien dat de meeste van haar leraren, dokters en idolen wit zijn. Al deze ­registraties zijn bouwstenen van de sociale hiërarchie in haar brein.
‘Kinderen hebben al vanaf heel jonge leeftijd sociale voorkeuren die gebaseerd zijn op huidskleur en etniciteit’, zegt Mesman. In een onderzoek waarin ze 150 witte kinderen vroeg met wie ze willen spelen en wie ze thuis willen uitnodigen, koos ongeveer 70 procent een wit kind om mee te spelen en naast te zitten. Ruim 80 procent koos een niet-wit kind om niet naast te zitten en niet mee te spelen. Met name de moslimkinderen werden het meest gekozen om niet naast te zitten en mee te spelen.
Als vooroordelen zo snel zijn gevormd, hoe voorkom ik dan dat mijn kind er straks van overloopt? Gaat het inderdaad helpen als ik een andere strategie dan mijn ouders kies en mijn kind dus vertel: ‘We zouden allemaal gelijk moeten zijn, maar dat is nog niet zo. En dit is waarom.’
‘De hypothese is: ja’, zegt Mesman, die momenteel een groot onderzoek doet naar de gevolgen van het wel of niet bespreken van huidskleur met kinderen. ‘Maar eigenlijk weten we daar nog bijna niets over. In tegenstelling tot de Verenigde Staten hebben we in Nederland lang niet over ras gepraat, dat heeft zijn weerslag in wetenschappelijk onderzoek.’ De enige aanwijzingen die we hebben komen uit het bedrijfsleven: daaruit blijkt dat in organisaties die ‘anders-zijn’ als uitgangspunt nemen, vooroordelen afnemen. Minderheidsgroepen voelen zich meer geaccepteerd en presteren beter als verschillen bespreekbaar zijn.
Maar hoe praat je met kinderen over zo’n zwaar onderwerp? Veelgelezen advies is vooral duidelijk te zijn. Dus als Jantje zegt dat die man vies is, hem niet de mond snoeren met iets abstracts als ‘dat mag je niet zeggen, dat is een belediging’, maar het moment aangrijpen om uit te leggen wat huidskleur is. Mijn dochter is nog te jong voor zo’n conversatie, maar ik kan wel gemakkelijk beïnvloeden welke boeken ik voorlees en welke films ze ziet. Zodat ze leert dat ook niet-witte figuren helden kunnen zijn.
Verder noemt Mesman de contact­hypothese. ‘Volgens deze hypothese is het zo dat kinderen die worden blootgesteld aan meer etnische diversiteit, minder vooroordelen ontwikkelen over andere etnische groepen.’ Zo leren ze niet alleen terug te vallen op stereotypen.
Ik maak de inventaris op: hoeveel mensen ken ík met een andere etnische achtergrond? Conclusie: A whiter shade of pale zou een perfecte titel voor mijn ­leven zijn. Eerst was het volkswit, toen studentenwit, daarna journalistiekwit. Ex-vriendjes daargelaten. En er zat een half-Surinaamse jongen in mijn vwo-klas, iemand met wie ik nog steeds omga. Nu zit ik tussen de expats in Berlijn, bereisde types met brede horizonnen, maar wederom grotendeels wit.
Ik kan van mijn dochters wereld dus niet een multicultureel festijn maken, al zou ik het willen. Zo betrapte ik mezelf erop dat ik ‘ervan baalde’ dat de Maleis-Indiaase Maya de kinderdagopvang van mijn dochter verliet. Niet alleen omdat het zo’n schatje was, want dat was ze, maar haar vertrek schopte ook mijn ­diversiteitsplan in de war. Alsof Maya’s aanwezigheid alleen mijn dochters anti-racistische opvoeding diende. Alsof dát niet stereotyperend is.
Podcast This American Life wijdde in september een hele uitzending aan dit fenomeen. In 1967 werden de eerste twee zwarte studenten ingeschreven op een volledig witte kostschool in Virginia. Een kans voor de jongens, maar ze waren er vooral om van hun witte klasgenoten betere mensen maken. De achterliggende gedachte was: als witte kinderen zwarte kinderen leren kennen, hebben ze later, als nieuwe leiders van het Zuiden, minder vooroordelen. Wat dit raciale experiment voor de zwarte jongens betekende, dat ze werden geslagen en beschimpt, was van ondergeschikt belang.
Dip je witte teen in thema’s als ­racisme en discriminatie en het wordt al snel een geforceerde en ongemakkelijke bedoening. Zo heb ik al heel wat leden van ethnische minderheden op straat verbaasd over hun schouder ­laten kijken omdat ik ze breed glimlachend aanstaarde. Jawel, ik glimlach naar jullie allemaal. En het is gebeurd dat ik veel te lang in de trein met een dronken en stinkende Roemeen aan de praat bleef, terwijl dochterlief vanuit de kinderwagen toekeek. Was-ie wit geweest, was ik allang ergens anders gaan zitten.
Met buikpijn denk ik terug aan die avond dat twee collega’s van mijn vriend kwamen eten, de een zwart, de ander wit. De aanleiding kan ik me niet meer herinneren, maar opeens stond ik met mijn oude sinterklaasboek te zwaaien – cadeau van mijn grootouders – met op de cover twee klassieke Zwarte Pieten, inclusief rode lippen, kroeshaar en gouden oorbellen. ‘Zo doen we het niet meer hoor’, zei ik tegen onze gast van kleur, zonder dat ze ernaar had gevraagd. ‘Onze dochter zingt nu Lieve Piet’, voegde ik eraan toe. ‘Want dit’, nog steeds zwaaiend met het boek, ‘kan natuurlijk écht niet meer’. Er werd gekucht, iemand stond erop de tafel af te ruimen en ik schoof het boek stilletjes terug in de kast.
Als mijn dochter op jonge leeftijd al gevoelig blijkt voor subtiele uitsluitings­mechanismen, dan is ze dat ook zeker voor mijn – veel minder subtiele – krampachtige houding.
‘Schiet alsjeblieft niet in de betuttelingsmodus’, drukte een goede vriend me op het hart, toen ik hem over mijn pedagogische plannen vertelde. Opgegroeid in een nette, linkse familie, waarin elke vorm van diversiteit de ­hemel werd ingeprezen, was hij continu op zijn hoede om te voorkomen iets racistisch te zeggen. ‘Racisme was een gevaarlijke kracht, het had de functie van de duivel. Voordat je het wist, kon het bezit van je nemen’, herinnert hij zich. Er waren weinig kinderen van kleur in zijn omgeving, maar zij die er waren, deden volgens alle moeders op het schoolplein alleen maar leuke dingen. ‘En dan kom je terecht in een situatie waarin ergernissen niet meer uitgesproken kunnen worden’, aldus mijn vriend. Nog steeds voelt hij de lange lijst aan gedragsregels en emotiedictaten als hij iemand van kleur ziet – het maakt de omgang extra krampachtig en stressvol.
Wat verleidelijk om dit ingewikkelde onderwerp gewoonweg te laten voor wat het is. Het zou kunnen, want, tja, ík heb nergens last van. En het laatste wat ik wil, is mijn dochter opzadelen met een schuldcomplex, zoals die vriend had.
Ik werd weer bij de les gebracht door een gesprek in het zwembad met de moeder van twee bruine kinderen. We hielden onze spetterende peuters in de gaten. Ze was alleenstaand, had ze me toevertrouwd, en moe van het dagelijks racisme waarmee ze te maken had. De vader van de kinderen is zwart, concludeerde ik op basis van haar eigen bleke huid.
Ze was een keer uitgescholden door een man in pak toen ze haar tweeling borstvoeding gaf in een restaurant: ze moest oprotten en haar negermonsters meenemen. Het n-woord fluisterde ze. Ook kreeg ze het idee dat haar tweeling op de kinderdagopvang nét iets strenger werd aangepakt dan de rest, maar ze wist niet hoe ze zoiets ­bespreekbaar moest maken.
Ik keek naar mijn helblonde kind en wist: dit gaat haar allemaal bespaard blijven. Ik heb haar in een handig omhulsel op aarde gezet. Mijn kind zal geheid een keer oneerlijk worden behandeld, maar de vraag of dit iets te maken zou kunnen hebben met het pigment in haar gezicht, kan ik simpelweg overslaan. Als ze later niet wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, zal dat niet aan haar achternaam liggen. En ze zal geen lager schooladvies krijgen dan haar Cito-score uitwijst, zoals regelmatig bij kinderen van migranten gebeurt. Dit is de realiteit waarin ze leeft en ik wil dat ze die kent. Het bijbehorende ongemak, ach, dat neem ik graag voor lief.