Voor de Volkskrant schreef ik een essay over het oplaaiende abortusdebat, waarin weinig ruimte is voor banale realiteit. Met prachtige illustraties van Giovani Ramos

Op weg naar de uitgang van de yogastudio hield de leraar me tegen. Ik had tijdens de les een paar poses overgeslagen, was hem opgevallen. Dat klopte, het ging om strekoefeningen die zich het best laten omschrijven als het uitwringen van een vaatdoekje. ‘Ze zijn zó goed voor ruggenwervel en organen’, zei hij. Waarom deed ik ze niet? ‘Ik moet m’n baarmoeder even ontzien. Ik heb net een abortus gehad’, zei ik naar waarheid. De yogaleraar keek me zwijgend aan. Achter hem zag ik twee groepsgenoten half aangekleed uit de verkleedruimte struikelen om te zien wie ‘abortus’ had uitgesproken. Een kort ogenblik keken we elkaar allemaal aan. ‘Tot volgende week?’, zei ik tenslotte. ‘O, eh, ja, zeker’, stotterde de leraar.


Totdat ik mensen liet struikelen en stotteren was het taboe mij onbekend. Ik wilde niet provoceren, noch was ik op een missie om abortus te normaliseren. Ik had een medische ingreep ondergaan die mijn fysieke toestand verklaarde, veel meer zat er op dat moment niet achter mijn openhartigheid. De emotionele lading van die abortus was er ook en die deelde ik niet automatisch met een onbekende in yogabroek, wel met vrienden en familie. Schuld of schaamte voelde ik niet. Twijfel of mijn redenen voor die abortus wel legitiem waren, had ik ook niet.


De Dolle Mina’s en Eisende Vrouwen hadden hun overtuigingen blijkbaar stevig weten te verankeren in mijn hoofd, want de zelfbeschikking van de vrouw was voor mij niet alleen een juridische vanzelfsprekendheid, ook een morele.


Die relatieve rust is voorbij. De anti-abortuslobby wordt steeds luider. Vrouwen worden bij de abortuskliniek geïntimideerd, krijgen onrealistische plastic foetussen in de handen gedrukt of – zo bleek deze week uit onderzoek van Investico – worden overgehaald de medisch riskante ‘spijtpil’ te slikken die de werking van de abortuspil ongedaan zou moeten maken. In de jaarlijkse Mars voor het leven lopen steeds meer mensen mee, tienduizend in 2019. In bushokjes bij de Bloemenhovekliniek in Heemstede hangen posters met embryo’s. De SGP staat in de peilingen op een krappe 3 zetels, maar voorman Kees van der Staaij probeert van abortus evengoed een groot verkiezingsthema te maken. Hij mocht ervoor aanschuiven bij Jinek en in een opiniestuk in NRC Handelsblad schreef hij onlangs dat het ‘méér dan tijd is dat in de komende kabinetsperiode de abortuswet wordt aangescherpt’.

Centraal in de zogenoemde prolifebeweging, een eufemistisch frame dat is geleend van de Amerikaanse anti-abortuslobby, staat dat beschermwaardig leven begint op het moment van conceptie. Abortus is dus moord, een opmerking die vrouwen op weg naar de kliniek dan ook weleens naar hun hoofd geslingerd krijgen. Maar omdat het in de media en het publieke debat niet heel en vogue is vrouwen voor kindermoordenaars uit te schelden, leggen anti-abortusactivisten in de retoriek juist nadruk op de moeilijke omgevingsfactoren van zwangere vrouwen die een abortus overwegen.

‘Achter deze kille cijfers gaan niet zelden hartverscheurende verhalen schuil. Drang en dwang door familie of vrienden. Financiële zorgen of relatieproblemen. Schaamte of spijt’, schreef Van der Staaij in NRC. ‘Een vrouw die een abortus wil plegen, daar zit een nood en leed achter’, zei Don Ceder, kandidaat-Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie, ook. Het werkwoord ‘plegen’ is overigens bewust gebruikt, omdat het doet denken aan andere misdaden die je pleegt, zoals overvallen en moord.

Door in te zetten op de penibele situatie van de vrouw, lijkt het heel even alsof er voor haar belang wordt opgekomen, dat er empathie is voor wat er in haar hoofd omgaat en de keuze aan haar is. Maar deze semantische manoeuvre zet elke vrouw die een abortus overweegt klem. Want in deze redenering is het immers de noodsituatie die maakt dat ze het kind niet wil, het is niet haar primaire wens. En een vrouw die niet in nood is, heeft dan ook geen abortus nodig. Laat het schuldgevoel maar doorkomen.

Opvallend is dat degenen die voor de keuzevrijheid zijn óók de neiging hebben hun argument op lastige situatie van de vrouw te bouwen. ‘Abortus is vaak de moeilijkste keuze voor een vrouw of meisje. Het laatste wat je nodig hebt, is een man die het beter meent te weten’, schreef D66-lijsttrekker Sigrid Kaag op Instagram in reactie op Van der Staaij. Lilianne Ploumen, lijsttrekker van de PvdA en voorvechter van reproductieve rechten wereldwijd, zei in een interview op de website van Eva Jinek: ‘Vrouwen kiezen alleen voor een abortus omdat er geen andere opties zijn.’

Een logische reflex is het wel om abortus te koppelen aan nood. Zelf ben ik ook geneigd om bij elk nieuw christelijke initiatief dat beweert een ‘reikende hand’ of een ‘veilige plek’ te bieden aan ongewenst zwangere vrouwen – allemaal maskeringen om niet ‘abortus is moord’ te hoeven zeggen – meteen de hel waarin zo veel vrouwen in het verleden hebben gezeten op te dissen. Of te beginnen over de schrijnende gevallen in landen waar abortus niet of nauwelijks legaal is: over verkrachte tienermeisje die de wanhoop nabij zijn, het verplicht voldragen van een zwaar gehandicapt kind met lage overlevingskansen of geïmproviseerde ingrepen met fatale bloedingen tot gevolg.

Toch is de vrouwenzaak daarmee niet geholpen. Want door zo veel nadruk te leggen op nood, belanden de beweegredenen in een hiërarchie, van frivool tot schrijnend. In De vooravond legde presentator Fidan Ekiz abortusarts Rebecca Gomperts voor dat er natuurlijk een verschil is tussen iemand die zwanger wordt door slechte voorlichting of door verkrachting. Zodra je gaat categoriseren, volgt het oordeel snel. 

Dat merkte ook Willeke, de verpleegkundige in de Bloemenhovekliniek die in september in een reportage van de Volkskrant wijze woorden sprak. In haar eerste werkweek bepaalde ze nog als een rechter in haar hoofd steeds of ze de motieven voor een abortus wel gerechtvaardigd vond, vertelde ze. ‘Daar ben ik mee gestopt, want ik besefte nooit het hele verhaal te kennen.’
Achter elke abortus schuilt volgens mij een hoop emotie, maar niet altijd een bak misère. Soms is de keuze voor een abortus helemaal niet moeilijk, en zijn de redenen niet ellendig. Want wat als je sociaal-economische situatie eigenlijk prima is, je in een liefdevolle relatie zit, maar liever eerst nog tijd met z’n tweeën tijd wilt doorbrengen? Of er mentaal nog niet aan toe bent? Wat als je sowieso geen kind wilt, nu niet en nooit niet. Is het dan fout om op de wc al met de kliniek te bellen, de zwangerschapstest nog in de hand?

Veel abortussen hebben niets met mistroostige externe factoren te maken, maar met innerlijke wensen en dromen. In het abortusdebat is daar weinig ruimte voor. Sociaal erkende nood werkt nu eenmaal veel beter dan individualistische motieven als je een stevig punt wilt maken. En dan hebben we het onbedoeld toch weer over een taboe en schaamte. Niet op abortus, maar op het banale verhaal dat erachter steekt.

Het effect van die retoriek: als je niet een intens trieste motivatie hebt voor een abortus, heb je er eigenlijk ook niet echt recht op. Als ongewenst zwangere vrouw ben je óf een Eva óf een Maria.
Gelukkig ligt onder al dat morele gemorrel tenminste een dijk van een wet, dacht ik altijd. Een baken voor de vrouw, waarin haar persoonlijke overwegingen niet langs de ethische meetlat worden gelegd. Want zo had ik die wet in elk geval ervaren. Maar nee, niets blijkt minder waar.

Op de eerste plaats staat abortus in het Wetboek van Strafrecht. Het is alleen legaal onder een aantal voorwaarden, zoals de verplichte voorlichting over alternatieven en de verplichte bedenktijd van vijf dagen. En, zo staat in artikel 5 van de Wet afbreking zwangerschap (WAZ), ‘iedere beslissing tot het afbreken van zwangerschap moet met zorgvuldigheid worden genomen en alleen dan uitgevoerd indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt’. Wat die noodsituatie kan zijn, is niet afgebakend en ligt in de praktijk bij de vrouw. 

Maar serieus, een noodsituatie? Met andere woorden: abortus mag wel, maar hoort niet?

‘Het schuldgevoel is in de wet vastgelegd’, zegt Anniek de Ruijter van Bureau Clara Wichmann, een stichting die sinds de jaren tachtig met de juridische kant van de vrouwenzaak bemoeit. ‘Abortus is geen recht, zoals we vaak denken, het is een uitzondering op de normale situatie, namelijk dat het strafbaar is. De emotie die abortus losmaakt, ligt nu aan de basis van de wetgeving, niet de logica of rationaliteit dat vrouwen net als mannen het recht op zelfbeschikking hebben.’ En dat maakt kwetsbaar in de toekomst, vindt De Ruijter. ‘Als een conservatieve regering ineens het plan opvat om de voorwaarden in de WAZ wel onderhevig te maken aan allerlei restricties en extra vergunningen. Je kunt met lagere regelgeving een heel eind komen.’ 

De Wet afbreking zwangerschap uit 1981 was het ultieme compromis. ‘Een verzoening van standpunten die lang onoverbrugbaar leken’, zegt emeritus hoogleraar vrouwenstudies Joyce Outshoorn. VVD en PvdA waren voor een wet die abortus zou legaliseren, maar de CDA wilde er pertinent niet aan. Liefst zeven wetsvoorstellen sneuvelden. Wilde de wet een kans maken, dan moeten de christen-democraten ervan worden overtuigd dat het besluit tot een abortus correct en gewetensvol werd overwogen door de vrouw. ‘Het mocht geen ‘abortus op afroep’ worden’, legt Outshoorn uit. ‘Want zwangere vrouwen zijn overstuur en weten niet goed wat ze doen. Dat was toen de teneur.’ De onomkeerbare noodsituatie en de vijf dagen bedenktijd komen uit die redenatie voort.

Zo kwam de diepgewortelde christelijke traditie van het in twijfel trekken van de beslissingsbevoegdheid van de vrouw dus in de wet. ‘Het wantrouwen jegens de vrouw is de spil van dat compromis’, zegt Outshoorn. ‘Niet ideaal, maar iedereen met een beetje institutioneel geheugen weet nog hoe groot de opluchting was. De politieke partijen waren blij dat ze ervan af waren en in de vrouwenbeweging konden velen ermee leven.

En, eerlijk is eerlijk: de wet werkt wél. Vrouwen hebben toegang tot veilige abortus en worden niet geweigerd als ze niet huilend in de kliniek zitten. Er wordt gecontroleerd of vrouwen onder druk worden gezet door de omgeving en bij twijfel gaat de ingreep niet door. Uit onderzoek blijkt dat bijna niemand spijt krijgt, in bijna 98 procent van de gevallen wordt hun keuze voor een abortus als de juiste ervaren. De acceptatie van abortus ligt in Nederland al jaren hoog, blijkt uit de burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Maar toch. Het blijft pijnlijk dat abortus nog altijd in het Wetboek van Strafrecht staat. En dat de twijfel over de beslissingsbekwaamheid van vrouwen bij wet ingebakken is. Onlangs stemde de Tweede Kamer voor het afschaffen van de verplichte vijf dagen bedenktijd. De initiatiefnemers van de wetswijziging, Corinne Ellemeet van GroenLinks en PvdA-lijsttrekker Ploumen, benadrukten dat vrouwen prima in staat zijn een zorgvuldige, weloverwogen keuze te maken. De bedenktijd was, zo schreven ze, ‘niet meer van deze tijd’.

Dat geldt natuurlijk ook voor de ‘onomkeerbare noodsituatie’. Die maakt niet alleen kwetsbaar als er ooit een heel conservatieve wind gaat waaien, maar is ook normerend voor vrouwen. Het is moreel onjuist om voor abortus te kiezen, suggereert de wet nog altijd. De komende kabinetsperiode ligt er voor liberale en progressieve partijen de kans om vrouwen écht serieus te nemen. ‘Nu doorpakken!’, zou ik bijna zeggen – CDA-lijsttrekker Wopke Hoekstra vindt het vast niet erg dat ik zijn campagneslogan even leen.

Ik praatte verder over zelfbeschikking, noodsituaties en frivole abortussen met de gevatte en scherpe hosts Elise Fikse en Barbara Klaaysen van de podcast ZoetZuur