Door Angela Wals

Scrabble

Op vrijdagavond scrabbelen in een Berlijnesk huiskamercafé in Oost met je hoogzwangere vriendin. Vraag: Is dit een goed verhaal, of juist niet? Is het een kroegwaardige anekdote voor je vrienden? Die na een slok bier benijdend zullen beamen: ‘Scrabble, goed idee, vroeger veel gespeeld, ik pak het er morgen ook eens bij met m’n meisje.’ Of denken ze intussen: ‘Die arme jongen is een stap verwijderd van een bakfiets op IJburg?’ Hij vraagt het zich allemaal af, als hij de eerste zeven letters uit de zak pakt.

IJburg. Het is een gevoelig punt. Hij heeft daar ooit naar een woning gekeken. Want: vriendin was zwanger. Na de bezichtiging van een appartement van 100 vierkante meter aan het water, met inbouwkeuken en een bad, schaamde hij zich voor zijn enthousiasme. En dan die andere voordelen. Lijn 26 voor de deur die je binnen een kwartier naar Centraal brengt. Strand. Natuurgebied op steenworp afstand. Rust.

Een oriënterende wandeling bracht hem naar de dijk. Hij stond stil, keek naar de oude vissershuizen van Durgerdam in de verte en liet de chronische wind van het eiland zijn konen blossen. ‘Ik moet deze wijk nog niet afschrijven’, zei hij richting een meeuw. Tegen zijn vriendin: ‘Maar hoe ga ik dit mijn vrienden uitleggen?’

IJburg bleek toch een brug te ver. Hij verhuisde naar een ander eiland in Oost. Een plek die hij kan verkopen met ‘Maar 15 minuten fietsen naar Centraal’. Fietsminuten zijn in Amsterdam waardevoller dan tramminuten.

De dichtstbijzijnde kroeg, die geen coffeeshop is, bleek het huiskamercafé met bordspelen te zijn. Wat hij van de combinatie ‘scrabbelen’ en ‘hoogzwangere vriendin’ moet vinden, weet hij nog steeds niet. Maar de setting in Oost stelt hem gerust. ‘Oost is toch een beetje het nieuwe West.’ Vriendin knikt beamend en nipt van haar thee.

Wat hij wel zeker weet, is dat ‘muggenpis’ een scrabblewoord is. Fronsende vriendin. ‘Kan een mug pissen?’, vraagt hij, ‘want als een mug kan pissen, is het een woord. Dat is dan drie keer de woordwaarde. BAM!’

Vleesboek

En we gingen. En masse. Poppetjes kijken. Want de Parade is om te paraderen, niet om te zitten op houten theaterbankjes. Kijk ons eens helemaal-onszelf-zijn. Hoe nonchalant en relaxed.

We komen op de eerste plaats om te stralen in onze weloverwogen parade-outfit. Voor vrouwen: iets met bloemenpatroon (schuldig) Voor mannen: iets met teenslippers en bandjes om de pols. We zijn daar om gezien te worden en om net even iets luider dan normaal te roepen: ‘Hé, jij ook hier!’. Laat Amsterdam potverdrie duidelijk zijn dat we mensen kennen.

De parade is een vleesgeworden facebookpagina: we observeren mooie mensen op gepaste afstand. We ‘liken’. Of niet. Niemand kijkt elkaar aan in gesprekken, want de omgeving moet in de gaten gehouden worden. Schichtige ogen schieten heen en weer terwijl we ja-knikken op het verhaal van onze gesprekspartners.

En ik? Ik deed mee met de facebookpoppetjes. Ik bekeek, observeerde, flirtte met een gevatte opmerking en klikte weer door. Ik deed het allemaal. Ik schaam me, maar ik bezweek onder de collectieve druk van het hyper-bewustzijn van de paradegangers. Misschien heb ik het verdrongen, maar ik heb ook vast kekke rode laarsjes ‘geliked’ van een meisje die ik via het nichtje van mijn collega ken. Of kende ik haar van het cafe Louter waar ik met haar zus heb gewerkt? Een van de twee.

Hoe dan ook, terwijl ik met schichtige ogen en bloemenjurk over de parade liep, kwam er een jongen naar mij en mijn vriendin Puck toegelopen. Hij ging voor ons staan en zei: ‘The moment I saw you, I knew it: I want to be facebookfriends with those girls.’ ‘Romantisch’, zei ik. Stilte. ‘I’m from New York and I’m in Amsterdam for the first time. You?’ Wij uitleggen hoe ongelooflijk Amsterdams we zijn. We komen beide uit een gat in de klei, maar dat gingen we niet vertellen.

‘So, do you want to be facebookfriends with me?’, vroeg de New Yorker na twee minuten … ‘Puck?’ … Like a Hocky puck? … ‘Walsh?’ … ‘With a h?’ … ‘O, without. Ok’ … ‘Well, have fun on the parade’ … ‘I see you on facebook’.

Een golf van nostalgie overmande toen hij wegliep. Ik verlangde direct naar de tijd dat mannen met slechte openingszinnen begonnen als ‘Wat een mooie ogen heb je’. Die tijd heb ik nog meegemaakt en zo oud ben ik niet. Ik droop af van de real life facebook cq parade en ging naar huis. Ik zette mijn laptop aan, maar klapte hem meteen weer dicht.

Boekenbal 2012: een schoolfeest voor de ietwat verstofte schrijver

‘Meneer Buwalda. Wilt u van mijn voet af gaan?’ Ogen met fronsende wenkbrauwen kijken mij aan. Ik ben duidelijk een stoorzender in een gesprek. Het is druk in de foyer van de Stadsschouwburg. En dronken mensen hebben altijd veel ruimte nodig. Na de tweede teentrap van Bonita Avenue was de maat vol. Ik moest er wat van zeggen, het maakt mij niet uit hoeveel verkochte debuutromans hij op zijn naam heeft staan. Peter haalt zijn neus op, geeft mij nog per ongeluk een schouderduw na en hervat het gesprek.

Het boekenweekthema van dit jaar is: vrienden en andere ongemakken. De avond is nog jong, maar het eerste ongemak is al binnen. En dat terwijl ik als journalist in spe juist vrienden wilde maken.

Op Arnon Grunberg en A. F. Th. van der Heijden na, loopt tout boekschrijvend Nederland rond op het feest. Door de continue mensenstroom tussen de verschillende foyers en zalen van de Stadsschouwburg heeft het boekenbal iets weg van een schoolfeest. De gangen en trappen staan vol met mensen die op een collectieve zoektocht zijn naar de beste plek om te dansen. Een oude dame struikelt bijna over de muntjestafel. ‘Ik ben verdwaald’, roept ze wanhopig. Jan Mulder knielt neer op de trap bij een vrouw in een pompeuze baljurk. Ze trekt haar hakken uit en zucht: ‘Genoeg. Ik loop niet meer’. Kluun komt langs met zijn blonde introducee. Hij heeft zijn gezicht in haar decolleté begraven. ‘Kom, laten we ook even in de grote zaal gaan kijken.

Ik leer snel dat dit schoolfeest voor gevorderden een vertrouwde plek is waar ietwat verstofte schrijvers los kunnen gaan. Ze zijn ontspannen, ze dansen en zuipen. Het zijn net mensen. Pauline Cornelisse blijkt een grote fan van de dansvloer te zijn. Haar kledingkeuze gaat over de tong. Ze heeft een spijkerbroek aan met een vaal T-shirt erop. ‘Afschuwelijk!’, zegt de vrouw van literatuurhistoricus Piet Calis wijzend naar de dansvloer. Ze is naast mij komen zitten op de pluche, rode stoelen in de grote zaal. ‘Dat trek je toch niet aan op een bal?’ Ik kan het alleen maar beamen, maar Paulien maakt mij wel nieuwsgierig. Had ze niets meer in de kast liggen? Wil ze een statement maken? Had ze zich in de datum vergist en is ze na een zenuwachtig telefoontje van haar uitgever alsnog halsoverkop naar het Leidseplein gefietst? Vanaf de voorste rij in de zaal aanschouw ik haar dansbewegingen. Ik wend mijn blik af. Oei Paulien, dansen is zeg maar echt niet jouw ding.

Naar verwachting zijn alle schrijvers een uur voor het einde dronken en handtastelijk. Volkskrant-columnist, boekenschrijver en universitair docent Wim de Jong laat een hand van de heupen van zijn date naar haar billen glijden en knijpt er even in. Het is zo’n tijdstip waarop iedereen elkaar ineens heel aardig vindt.

Wat een liefde allemaal, maar intussen heb ik zelf nog steeds geen nieuwe vrienden. Het licht gaat aan, stipt om drie uur. Een echt schoolfeest dus. Is dit nu het wilde boekenbal? Ik maak aanstalten om het podium af te lopen. ‘Het feest is alleen mythisch omdat het oud is’, zegt iemand. ‘Ik draai mij om en zie Ramsey Nasr staan met een Vlaamse schone aan zijn zijde. ‘Niet omdat er mythische dingen gebeuren. Gewoon een leuk feestje. Meer niet’, gaat hij verder en glimlacht. Vijf minuten later delen we facebook gegevens uit. Zo maak ik op de valreep toch nog een vriend, een digitale vriend, maar ik tel hem mee.